Ceiba pentandra of kapokboom is voornamelijk bekend om de kapok: witte vezels die de zaden omwikkelen en die als vulling gebruikt worden voor matrassen, kledij, knuffeldieren…
Het is een boom uit de Malvaceae familie die voorkomt in Afrika, Zuid-Amerika, de Caraïben en tropisch Azië. In Afrika is het de grootste boom.
In sommige streken wordt de stam gebruikt voor het maken van kano’s maar het hout is te licht en zacht om er bvb meubels mee te maken. Uit de zaden wordt olie geperst in de keuken, voor het maken van zeep of als mest.
Deze reusachtige boom werd vereerd door de Maya’s en in Suriname: de wortels zouden tot in de hel reiken en de takken en bladeren tot in de hemel en de eerste mens zou geboren zijn uit de moeder Ceiba.
De schors wordt gebruik in de traditionele geneeskunde voor het behandelen van hoofdpijn of type II diabetes, als afrodisiacum of diureticum.
Beschrijving:
De boom wordt 60-70 m hoog en heeft een stevige, grijze stam van tot wel 3 m in diameter met stutwortels aan de basis. Hij kan tot 2 m per jaar groeien.
De grijze stam en veel van de grotere takken zijn vaak (maar niet altijd) bezaaid met zeer grote, robuuste enkelvoudige doornen. De takken verschijnen aan de top en groeien horizontaal.
De op palmbladeren lijkende, glanzend groene bladeren zijn ongeveer 20 cm lang, samengesteld uit 5-9 bladleden, elk 7-8 cm lang en 1-3,5 cm breed. De bladeren vallen af tijdens een droogteperiode.
De bloemen bloeien meestal voordat de bladeren verschijnen en zijn geclusterd op kleine, nieuwe takken. De vijf bloemblaadjes zijn ongeveer 2,5 cm lang en zijn romige wit of lichtroze van kleur. Hun geur is onaangenaam maar is waarschijnlijk bedoeld om de vleermuizen die hen bestuiven aan te trekken.
De vruchten zijn lange groene capsules die naar beneden gebogen zijn. Ze zijn bruin bij rijpheid. Volwassen bomen produceren een paar honderd 15 cm lange zaaddozen. De peulen bevatten zaden omgeven door een zachte, gelige vezel die een mix is van lignine en cellulose.
Gemene namen:
Kapokboom
Kankantri (Suriname)
Etymologie:
Ceiba: Spaans van Arawak “reusachtige boom”
Pentandra: Latijn voor “5 meeldraden”
Oorsprong:
Afrika, Zuid-Amerika, tropisch Azië
Habitat:
Regenwoud waar hij boven het bladerdak uitsteekt. Hij speelt hier een belangrijke rol als gastheer voor een zeer gevarieerde fauna en flora: slangen, apen, insecten, kikkers, vogels, epifytische planten zoals Bromeliaceae…
Vorstgevoeligheid:
USDA Zone 9, -5 °C
Vorst wordt beter verdragen zolang hij vochtig staat maar de plant houdt toch liever van een warme, vochtige omgeving.
Hoogte:
60-70 m
Verzorging:
Bodem:
Voedzaam en goed drainerend.
Standplaats:
Zon, licht.
Water:
De kluit moet continu vochtig zijn, vooral tijdens het groeiseizoen. Verminder de begieting in de winter.
Mest:
Dit is een snel groeiende boom, geef hem tijdens het groeiseizoen wekelijks universele vloeibare plantenmest.
Vermeerdering:
- zaai in teelaarde
- plant de zaden op een diepte van 5 cm
- houd de grond vochtig, maar niet doorweekt
- 20 °C
- kiemduur: een paar weken
- geef de zaailing warmte en luchtvochtigheid, maar plaats hem niet in direct zonlicht
Boeken:



